Gisteren kreeg ik dit bericht van Discovery op Twitter:
Een t-shirt als kogelvrijvest? Over een aantal jaar is het misschien mogelijk http://bit.ly/bTIRqK
Ik twitterde terug:
Kogelvrij of kogelwerend?
Kreeg ik dit terug getwittert:
Dat zal de toekomst moeten uitwijzen. Het nieuwsbericht gaat over de doorbraak die met katoenen shirts is gemaakt.
Ik twitterde dat ik tot nu toe altijd kogelvrije T shirts heb gekocht.
Het heeft 17 uur geduurd tot er één wakker werd en kreeg dus een bericht terug:
Haha! Mijn T shirts gelukkig ook.
woensdag 7 april 2010
donderdag 25 maart 2010
Deel 29 van zeep soep - dinsdag 9 februari
Als Inke wakker wordt ziet ze buiten dat de lucht groen is. Inke kleedt zich snel aan en gaat naar buiten. Het stinkt, een soort rottingsgeur. Inke doet haar sjaal voor neus om het niet te ruiken.
Buiten liggen mensen op straat en ze hoort sirene's. Inke ziet een ambulance die een persoon van straat afhaalt en in de ambulance zet.
Inke gaat naar Pieter, de buurman. Hij is thuis en laat Inke binnen.
Zijn TV staat aan en ze kijken naar het journaal. Heel de westkust is groen en het stinkt. Iedereen moet binnen blijven en deuren en ramen gesloten houden.
Op journaal is nog niet bekend wat er precies aan de hand is, wel dat er mensen zijn overleden die buiten waren.
De ambulances rijden af en aan. En het is erg druk in het ziekenhuis.
Inke en Pieter vragen zich af wat het is.
De groene wolk is nu boven het westen van Nederland en verspreidt zich naar het noordoosten. Zodra is heel Nederland bedekt.
Pieter neemt voor de gelegenheid naar een biertje. 'Mocht ik dood gaan, dan moet het bier wel op zijn', zegt hij.
Inke schiet in de lach. 'Doe mij er dan ook maar één', zegt ze.
Pieter pakt zijn gitaar en gaat muziek maken. Omdat ze de deur toch niet uit kunnen dan thuis maar vermaken.
Intussen blijft de TV aan staan voor het nieuws.
De groene stinkende wolk breidt zich steeds verder uit, er zijn al tientallen doden.
Inke besluit naar Niek te gaan. Pieter wil mee.
Beide doen een sjaal voor hun neus en pakken de fiets, op naar Niek.
Ze komen bij Niek in de winkel aan. Hij had vanmorgen toen hij naar buiten keek en zag dat het groen was, de TV aangezet en toen wist men nog niet wat er precies aan de hand was, dus was Niek maar naar de winkel gegaan.
Hij heeft de radio nog niet aangezet en Pieter en Inke vertellen dat de groene lucht dodelijk is.
De deur van de winkel blijft dicht zodat het niet naar binnen kant komen.
Inke belt Nikki. Ze is thuis. Nikki vertelt dat ze naar de winkel wil komen. Ze stapt op de fiets, doet ook een sjaal voor haar mond en neus en komt veilig aan in de winkel.
Met hun vieren zitten ze veilig in de winkel. Pieter heeft zijn gitaar meegenomen en om de tijd te doden maken ze muziek.
Volgende keer deel 30.
Buiten liggen mensen op straat en ze hoort sirene's. Inke ziet een ambulance die een persoon van straat afhaalt en in de ambulance zet.
Inke gaat naar Pieter, de buurman. Hij is thuis en laat Inke binnen.
Zijn TV staat aan en ze kijken naar het journaal. Heel de westkust is groen en het stinkt. Iedereen moet binnen blijven en deuren en ramen gesloten houden.
Op journaal is nog niet bekend wat er precies aan de hand is, wel dat er mensen zijn overleden die buiten waren.
De ambulances rijden af en aan. En het is erg druk in het ziekenhuis.
Inke en Pieter vragen zich af wat het is.
De groene wolk is nu boven het westen van Nederland en verspreidt zich naar het noordoosten. Zodra is heel Nederland bedekt.
Pieter neemt voor de gelegenheid naar een biertje. 'Mocht ik dood gaan, dan moet het bier wel op zijn', zegt hij.
Inke schiet in de lach. 'Doe mij er dan ook maar één', zegt ze.
Pieter pakt zijn gitaar en gaat muziek maken. Omdat ze de deur toch niet uit kunnen dan thuis maar vermaken.
Intussen blijft de TV aan staan voor het nieuws.
De groene stinkende wolk breidt zich steeds verder uit, er zijn al tientallen doden.
Inke besluit naar Niek te gaan. Pieter wil mee.
Beide doen een sjaal voor hun neus en pakken de fiets, op naar Niek.
Ze komen bij Niek in de winkel aan. Hij had vanmorgen toen hij naar buiten keek en zag dat het groen was, de TV aangezet en toen wist men nog niet wat er precies aan de hand was, dus was Niek maar naar de winkel gegaan.
Hij heeft de radio nog niet aangezet en Pieter en Inke vertellen dat de groene lucht dodelijk is.
De deur van de winkel blijft dicht zodat het niet naar binnen kant komen.
Inke belt Nikki. Ze is thuis. Nikki vertelt dat ze naar de winkel wil komen. Ze stapt op de fiets, doet ook een sjaal voor haar mond en neus en komt veilig aan in de winkel.
Met hun vieren zitten ze veilig in de winkel. Pieter heeft zijn gitaar meegenomen en om de tijd te doden maken ze muziek.
Volgende keer deel 30.
zaterdag 13 maart 2010
Zondag's kind (deel 2)
Ezéchiel ging af en toe naar school. Meestal hing hij ergens buiten, daar leerde hij meer.
Lezen en schrijven kon hij heel goed. Ondanks zijn lichamelijke misvorming was zijn geest gezond.
Hij hoeft maar even te kijken en slaat dan alles op in zijn hoofd.
Als Ezéchiel elke dag op school zou zijn zou hij zich vervelen. Buiten kan hij veel meer leren.
Hij had één voordeel, de geest van zijn overleden broer zit in zijn hoofd.
Zoals zijn vader zegt: 'je hebt de geest van je broer overgenomen'.
Ezéchiel heeft zijn broer nooit gezien maar hij weet dat hij er altijd is.
Zondag
Vandaag is er geen school en Ezéchiel gaat net als zijn vader niet naar de kerk. Hij noemt het 'hel en verdoemenis'.
Als vader naar het café gaat, gaat Ezéchiel meestal na de kerkdienst naar de kerk.
Toen, een aantal jaar geleden was Ezéchiel ergens achter gekomen. Als de pastoor klaar was in de kerk bleef hij nog even en kwam er een paar minuten later een dame van plezier langs.
Ezéchiel verstopte zich achter een muur en zag meneer pastoor en de dame zich uitkleden.
Ezéchiel deed zijn broek omlaag en deed mee.
Hij maakte iets teveel geluid en meneer pastoor en de dame hoorden hem en gingen opzoek en vonden Ezéchiel achter een muur, hij deed de knopen van zijn broek net dicht.
'Voor een stuiver zal ik niks zeggen', zei hij.
Meneer pastoor gaf hem een stuiver en Ezéchiel ging lachend naar huis.
Dit ritueel herhaalde zich elke zondag na de kerkdienst. Om zijn mond te houden kreeg Ezéchiel elke zondag zijn 'zwijg stuiver'.
Vandaag was hij dus weer op weg naar de kerk.
-wordt vervolgd-
Lezen en schrijven kon hij heel goed. Ondanks zijn lichamelijke misvorming was zijn geest gezond.
Hij hoeft maar even te kijken en slaat dan alles op in zijn hoofd.
Als Ezéchiel elke dag op school zou zijn zou hij zich vervelen. Buiten kan hij veel meer leren.
Hij had één voordeel, de geest van zijn overleden broer zit in zijn hoofd.
Zoals zijn vader zegt: 'je hebt de geest van je broer overgenomen'.
Ezéchiel heeft zijn broer nooit gezien maar hij weet dat hij er altijd is.
Zondag
Vandaag is er geen school en Ezéchiel gaat net als zijn vader niet naar de kerk. Hij noemt het 'hel en verdoemenis'.
Als vader naar het café gaat, gaat Ezéchiel meestal na de kerkdienst naar de kerk.
Toen, een aantal jaar geleden was Ezéchiel ergens achter gekomen. Als de pastoor klaar was in de kerk bleef hij nog even en kwam er een paar minuten later een dame van plezier langs.
Ezéchiel verstopte zich achter een muur en zag meneer pastoor en de dame zich uitkleden.
Ezéchiel deed zijn broek omlaag en deed mee.
Hij maakte iets teveel geluid en meneer pastoor en de dame hoorden hem en gingen opzoek en vonden Ezéchiel achter een muur, hij deed de knopen van zijn broek net dicht.
'Voor een stuiver zal ik niks zeggen', zei hij.
Meneer pastoor gaf hem een stuiver en Ezéchiel ging lachend naar huis.
Dit ritueel herhaalde zich elke zondag na de kerkdienst. Om zijn mond te houden kreeg Ezéchiel elke zondag zijn 'zwijg stuiver'.
Vandaag was hij dus weer op weg naar de kerk.
-wordt vervolgd-
Zondag's kind
Lente 1722.
Zondagochtend.
Ze voelde de barensweeën. Vlug pakte ze de fles graanjenever en schonk zich wat in. Om de pijn te verminderen.
Ze begon deze ochtend als alle andere: met een glas jenever.
Ze lag op het strobed te wachten tot het kind zich zal aanmelden. De weeën werden heftiger en ze schonk zich nog een glas in.
De dokter kwam er al aan. Hij nam plaats naast het strobed, haar man bleef in de keuken. Met de deur dicht.
Het kind kondigde zich aan. Geen tijd voor nog een jenever maar persen.
Daar kwam het; het zag er anders uit dan anders, ziet de dokter. Als het kind eruit is schrikt hij. Het is niet in orde. Het is misvormd. Er komt nog wat achteraan. Het tweede kind. Wist iemand van een tweede kind? Nee.
Het tweede kind ging net zo moeilijk. Na flink persen kwam het er uit. Het ademt niet en is lijkbleek. Het overleed meteen. Moeder neemt er nog een jenever op, om de ellende te verwerken.
Eén mislukt kind en één dode.
De dokter vertrekt en de man komt uit de keuken. Hij staart naar de vrouw en de 2 nieuwe borelingen. Hij loopt naar de voordeur en gooit de deur open, loopt naar buiten en smijt de deur dicht en loopt naar het café. 'Zondags kinderen zijn nooit goed', zei hij.
De dokter neemt het levenloze kind mee. Niemand weet waar de dokter de dode kinderen heen brengt en niemand wil het weten.
De moeder laat het aan het voeteinde liggen, neemt een glas jenever en valt in slaap.
Als de man des huizes thuis komt hoort hij baby-gegil. Hij ziet het kind aan het voeteinde van het bed en het gilt. Hij pakt het op en maakt de vrouw wakker en zet het aan de borst waarop het kind onmiddelijk begint te zuigen.
Lente 1736.
Ezéchiel is 14.
Hij heeft een bochel, loopt mank, is aan één oog blind en hoort slecht. Hij woont met zijn vader in hetzelfde huis als waar hij 14 jaar geleden is geboren. Zijn moeder is 13 jaar geleden overleden. Aan de graanjenever.
Zij kon het niet verwerken dat haar kind een gedrocht is. Ze zoop zich dood. De begrafenis was somber, alleen zijn vader met Ezéchiel op de arm. Ezéchiel kreeg zijn naam van zijn vader, pas na het overlijden van zijn moeder. 'Ik geef dat gedrocht geen naam', zei moeder.
In het jaar van zijn geboorte tot de moeder overleed heeft ze hem gedrocht genoemd. Toen zijn vader na de begrafenis weg liep naar huis zei hij: 'ik noem je Ezéchiel, de kracht van God, omdat je op zondag, de dag van god, bent geboren.
-wordt vervolgd-
Zondagochtend.
Ze voelde de barensweeën. Vlug pakte ze de fles graanjenever en schonk zich wat in. Om de pijn te verminderen.
Ze begon deze ochtend als alle andere: met een glas jenever.
Ze lag op het strobed te wachten tot het kind zich zal aanmelden. De weeën werden heftiger en ze schonk zich nog een glas in.
De dokter kwam er al aan. Hij nam plaats naast het strobed, haar man bleef in de keuken. Met de deur dicht.
Het kind kondigde zich aan. Geen tijd voor nog een jenever maar persen.
Daar kwam het; het zag er anders uit dan anders, ziet de dokter. Als het kind eruit is schrikt hij. Het is niet in orde. Het is misvormd. Er komt nog wat achteraan. Het tweede kind. Wist iemand van een tweede kind? Nee.
Het tweede kind ging net zo moeilijk. Na flink persen kwam het er uit. Het ademt niet en is lijkbleek. Het overleed meteen. Moeder neemt er nog een jenever op, om de ellende te verwerken.
Eén mislukt kind en één dode.
De dokter vertrekt en de man komt uit de keuken. Hij staart naar de vrouw en de 2 nieuwe borelingen. Hij loopt naar de voordeur en gooit de deur open, loopt naar buiten en smijt de deur dicht en loopt naar het café. 'Zondags kinderen zijn nooit goed', zei hij.
De dokter neemt het levenloze kind mee. Niemand weet waar de dokter de dode kinderen heen brengt en niemand wil het weten.
De moeder laat het aan het voeteinde liggen, neemt een glas jenever en valt in slaap.
Als de man des huizes thuis komt hoort hij baby-gegil. Hij ziet het kind aan het voeteinde van het bed en het gilt. Hij pakt het op en maakt de vrouw wakker en zet het aan de borst waarop het kind onmiddelijk begint te zuigen.
Lente 1736.
Ezéchiel is 14.
Hij heeft een bochel, loopt mank, is aan één oog blind en hoort slecht. Hij woont met zijn vader in hetzelfde huis als waar hij 14 jaar geleden is geboren. Zijn moeder is 13 jaar geleden overleden. Aan de graanjenever.
Zij kon het niet verwerken dat haar kind een gedrocht is. Ze zoop zich dood. De begrafenis was somber, alleen zijn vader met Ezéchiel op de arm. Ezéchiel kreeg zijn naam van zijn vader, pas na het overlijden van zijn moeder. 'Ik geef dat gedrocht geen naam', zei moeder.
In het jaar van zijn geboorte tot de moeder overleed heeft ze hem gedrocht genoemd. Toen zijn vader na de begrafenis weg liep naar huis zei hij: 'ik noem je Ezéchiel, de kracht van God, omdat je op zondag, de dag van god, bent geboren.
-wordt vervolgd-
vrijdag 12 maart 2010
Deel 28 van zeep soep - maandag 8 februari
Met Piet gaat het niet goed, zijn vinger doet erg zeer en moet in het ziekenhuis blijven.
Deze week dus even geen Piet op werk.
Inke heeft wederom vroege dienst. Het is druk op werk en de pc's worden aangeleverd. Inke zit bij de expeditie en laat de vrachtwagens binnen.
Voor het hek staat een gek, een man die over het hek wil springen. Hij springt op en neer en roept oergeluiden als: 'oeh oeh'. Het is een komisch gezicht. Hij wil de bovenkant van het hek pakken maar het is veel te hoog, hij kan er echt niet bij.
Er komt een vrouw bij hem staan en ze wil hem optillen, wat niet lukt. Het stel ziet er raar uit.
Inke loopt dus maar naar het hek om te vragen wat ze nou precies willen.
'Hij moet over het hek', zegt de vrouw.
'Neehee, ik wil de bovenkant aanraken', zegt de man.
Er komt een man in een wit pak aan rennen. 'Daar zijn jullie, komen jullie maar weer mee'.
De man in het witte pak excuseert zich bij Inke en zegt dat het twee ontsnapte gekken zijn, de poort van het gekkenhuis stond open en ze zijn er gewoon doorheen gelopen en weggelopen en nu moeten ze weer terug.
Op werk kwam het nieuws dat het met Piet niet goed gaat, de antistof werkte niet en Piet's vinger is zo aangetast dat die er af moet. Piet baalt en wordt kwaad en scheldt op de artsen.
De artsen zeggen dat hij rustig moet zijn maar Piet is erg boos. Hij pakt een stoel en gooit het door de behandelkamer. De artsen ontwijken de stoel net. De beveiliging wordt gebeld. Piet schreeuwt dat hij zelf beveiligd en dat hij anderen niet nodig heeft. Hij loopt de behandelkamer uit en loopt tegen de beveiligers op. Zij pakken hem beet en zetten hem op de stoel die hij eerst had gegooid en nu weer rechtop staat.
Ze houden hem goed vast. De arts geeft een prik en Piet wordt suf.
Zo, Piet kan even geen kwaad meer aanrichten.
Om 3 uur gaat Inke naar huis, kleed zich om en gaat langs de winkel van Niek.
Er moesten nog was CD's geluisterd worden die ze afgelopen week niet hebben geluisterd, teveel en te weinig tijd.
Nikki komt ook langs.
Veel nieuwe Nederlandse bands die erg goed klinken, zij verdienen een radio-uitzending.
Eke zaterdag laat Niek op de radio nieuwe bands horen, inmiddels zijn vele al bekend.
In de winkel komen ze dan ook vaak langs om Niek te bedanken.
Het is al 8 uur, Niek sluit de tent en ze gaan naar huis. Nikki eet mee met Niek en Inke. Inke had al erwtensoep gemaakt en dat lusten ze allemaal wel.
Volgende keer deel 29.
Deze week dus even geen Piet op werk.
Inke heeft wederom vroege dienst. Het is druk op werk en de pc's worden aangeleverd. Inke zit bij de expeditie en laat de vrachtwagens binnen.
Voor het hek staat een gek, een man die over het hek wil springen. Hij springt op en neer en roept oergeluiden als: 'oeh oeh'. Het is een komisch gezicht. Hij wil de bovenkant van het hek pakken maar het is veel te hoog, hij kan er echt niet bij.
Er komt een vrouw bij hem staan en ze wil hem optillen, wat niet lukt. Het stel ziet er raar uit.
Inke loopt dus maar naar het hek om te vragen wat ze nou precies willen.
'Hij moet over het hek', zegt de vrouw.
'Neehee, ik wil de bovenkant aanraken', zegt de man.
Er komt een man in een wit pak aan rennen. 'Daar zijn jullie, komen jullie maar weer mee'.
De man in het witte pak excuseert zich bij Inke en zegt dat het twee ontsnapte gekken zijn, de poort van het gekkenhuis stond open en ze zijn er gewoon doorheen gelopen en weggelopen en nu moeten ze weer terug.
Op werk kwam het nieuws dat het met Piet niet goed gaat, de antistof werkte niet en Piet's vinger is zo aangetast dat die er af moet. Piet baalt en wordt kwaad en scheldt op de artsen.
De artsen zeggen dat hij rustig moet zijn maar Piet is erg boos. Hij pakt een stoel en gooit het door de behandelkamer. De artsen ontwijken de stoel net. De beveiliging wordt gebeld. Piet schreeuwt dat hij zelf beveiligd en dat hij anderen niet nodig heeft. Hij loopt de behandelkamer uit en loopt tegen de beveiligers op. Zij pakken hem beet en zetten hem op de stoel die hij eerst had gegooid en nu weer rechtop staat.
Ze houden hem goed vast. De arts geeft een prik en Piet wordt suf.
Zo, Piet kan even geen kwaad meer aanrichten.
Om 3 uur gaat Inke naar huis, kleed zich om en gaat langs de winkel van Niek.
Er moesten nog was CD's geluisterd worden die ze afgelopen week niet hebben geluisterd, teveel en te weinig tijd.
Nikki komt ook langs.
Veel nieuwe Nederlandse bands die erg goed klinken, zij verdienen een radio-uitzending.
Eke zaterdag laat Niek op de radio nieuwe bands horen, inmiddels zijn vele al bekend.
In de winkel komen ze dan ook vaak langs om Niek te bedanken.
Het is al 8 uur, Niek sluit de tent en ze gaan naar huis. Nikki eet mee met Niek en Inke. Inke had al erwtensoep gemaakt en dat lusten ze allemaal wel.
Volgende keer deel 29.
Hondenpoep op de stoep
Hondenpoep is bah.
Jaren lang lag er hondenpoep voor de deur, op de stoep en op de straat.
Nu weet ik dat dit wordt gedaan door een hond die in een andere straat woont. In mijn straat woont nl maar één hond en die doet het niet.
Jaren terug heeft mijn inmiddels overleden buurman Janmaat (van de Centrum Partij) een hond gehad en hij liet het beestje in de daarvoor bestemde plaats poepen.
In al die jaren heb ik nog nooit één hond in mijn straat gezien. Mocht ik ooit een hond in mijn straat zien poepen dan had ik een strategie.
Tot inderdaad een aantal jaar geleden ik voor mijn deur een man zie die zijn hond daar liet poepen. Ik liep op hem af en vroeg: 'woont u toevallig in deze straat?'
'Nee', zegt de man.
Ik zei daarop: 'wilt u uw hond in uw eigen straat laten poepen!'
Zijn gezicht vertrok. Hij was er in getrapt.
Niet in de poep maar in mijn strategie.
Ik vertelde hem dat deze straat vol poep ligt van honden die niet in deze straat wonen en dat er maar één hond woont, waarop hij zei dat hij de hond kende en wees naar het huis van mijn buurvrouw en noemde zelfs de naam van de hond.
De hond was klaar met poepen en de man pakte een plasticzakje en pakte de drol op.
Waar hij die heeft gelaten weet ik niet.
Sinds die dag heb ik niet of nauwelijks nog een drol in de straat of stoep gezien.
Jaren lang lag er hondenpoep voor de deur, op de stoep en op de straat.
Nu weet ik dat dit wordt gedaan door een hond die in een andere straat woont. In mijn straat woont nl maar één hond en die doet het niet.
Jaren terug heeft mijn inmiddels overleden buurman Janmaat (van de Centrum Partij) een hond gehad en hij liet het beestje in de daarvoor bestemde plaats poepen.
In al die jaren heb ik nog nooit één hond in mijn straat gezien. Mocht ik ooit een hond in mijn straat zien poepen dan had ik een strategie.
Tot inderdaad een aantal jaar geleden ik voor mijn deur een man zie die zijn hond daar liet poepen. Ik liep op hem af en vroeg: 'woont u toevallig in deze straat?'
'Nee', zegt de man.
Ik zei daarop: 'wilt u uw hond in uw eigen straat laten poepen!'
Zijn gezicht vertrok. Hij was er in getrapt.
Niet in de poep maar in mijn strategie.
Ik vertelde hem dat deze straat vol poep ligt van honden die niet in deze straat wonen en dat er maar één hond woont, waarop hij zei dat hij de hond kende en wees naar het huis van mijn buurvrouw en noemde zelfs de naam van de hond.
De hond was klaar met poepen en de man pakte een plasticzakje en pakte de drol op.
Waar hij die heeft gelaten weet ik niet.
Sinds die dag heb ik niet of nauwelijks nog een drol in de straat of stoep gezien.
woensdag 10 maart 2010
Lief en leed aan de overkant
In 1992 kreeg ik van de woningbouw een brief. Ik kon een woning uitzoeken. Nieuwbouw en nog net niet klaar. Eindelijk! Ik stond al een tijdje ingeschreven en was er klaar voor.
Er waren zelfs speciale dagen voor gesprekken en ze hadden plattegronden opgehangen enz. We mochten 3 woningen kiezen, 1e, 2e en 3e keus. Geweldig. Het werd uiteindelijk mijn 1e keuze.
Toen ik daar met al die mensen zat werden er allerlei vragen gesteld, oa over de 'familie Flodder'.
Er schijnt een lastige familie in de straat te wonen.
In juli 1992 kreeg ik de sleutel en ben 2 dagen later meteen gaan verhuizen.
En ik woonde recht tegenover de 'familie Flodder.
Tegenover mij woonde een grote familie in 2 huizen boven elkaar. Een Columbiaan met 4 vrouwen en 11 kinderen. Twee kinderen had hij zelfs bij zijn eigen dochter gemaakt.
Dat het huis opviel was geen ontkomen aan, het was wit geverfd met een Columbiaanse vlag erop en iets in het Spaans geschreven.
Buurman had de leeftijd van mijn ouders en zijn oudste kinderen, 1 meisje en 2 jongens, mijn leeftijd.
Het viel me vooral op dat er mooie en dure auto's in de straat stonden, een Rolls Royce, Bentley, oude Amerikanen enz. Allemaal van de overbuurman.
Buurman was nl heler en dealer.
En een slimme.
Buurman had nl de wet geleerd. Ze konden hem niet pakken.
Hij bezat de halve straat, hij verhuurde kamers. Het geld kwam dus wel binnen, waar het bleef was duidelijk.
Zijn leven bestond vooral uit bier en drank.
In de zomer nam hij zijn plekje in de schaduw: mijn voordeur. Het kabelkastje van de TV zijn tafel. Als die vol stond werd het op de grond gezet. En de volgende ochtend lag het er nog.
Op zich had ik geen last van de buurman. Als hij dronken was schreeuwde hij en de politie kwam wat vaker door de straat, eigenlijk dus nog gezellig ook.
Die lege flessen voor de deur vond ik minder. Zodoende dat ik besloot hem te vragen ze de volgende keer mee naar binnen te nemen. Dat pakte iets anders uit; hij werd boos. Schreeuwde wat vieze woorden, haalde zijn gereedschap uit zijn broek en zei: 'die zou je wel willen hebben hè?'
Ik keek ernaar en begon te lachen en zei: 'jee is dat alles?'
Nou, dat ging vlug weer terug achter de rits en hij ging terug op zijn stoel en dronk verder.
Kwam ook toevallig zijn oudste zoon erbij staan, bemoeide zich ermee, ik zei niks, liet hem uitrazen. Toen die klaar was zei ik nog niks maar hij zei: 'denk je dat ik gek ben?'
Toen zei ik nonchalant: 'ja'.
Verder niks en ik ging naar binnen.
Buurman kwam nooit binnen, hij wist dat hij dan last van de politie zou krijgen. Slaan ook niet, alleen schelden, maar ook alleen als ie dronken was, wat ie meestal was.
Meestal had hij ruzie met zijn jongste zoon. Die woonde nog thuis. En dronk net zoveel.
De oudste zoon had een vriendin, zij reed in de Rolls Royce en zij was mijn klasgenoot van de analistenschool.
Toen we nog op school zaten was ze het voorbeeld van tuttig, dik donker haar met een mega grote jaren 80 bril en ze was onhandig.
Dat was ze nu niet meer, lang geblondeerd haar, super slank en mooi gekleed, meer uitgaanskleding dan doordeweeksekleding en geen bril.
En die Rolls kon ze niet parkeren.
Die relatie duurde niet lang, op een dag zag ik haar met een andere, Nederlandse, jongen. Ik zei hoi en ging naar huis.
Tot er aangebeld werd. De vriend van mijn klasgenote. Ze had haar naam veranderd, wat ik niet wist en hij wist haar echte naam niet.
Het feest in de straat duurde voort, het was gezellig en totaal geen last van de familie 'Flodder'.
Op een dag, in de zomer, ik had mijn raam open en hoorde alles, hoorde ik toch wel erg veel autodeuren dichtslaan, zo achterelkaar. Ik stak mijn hoofd uit het raam en van voor tot achter in de straat politie, arrestatieteam enz. Ze gingen bij de buurman naar binnen. Ik wist dat hij zijn roes aan het uitslapen was maar de politie niet. Zaklampen zag ik door het huis gaan.
Vraag me toch of waarom ze niet gewoon het licht aan deden.
Daar vonden ze hem, slapend.
Er was niets aan de hand. Er was bij de politie een melding binnengekomen dat er een klein kind van het balkon is gegooid, wat nooit is bewezen, en buurman moest het hebben gedaan.
Bij de buurman was niets gebeurd en buurman doet zoiets ook niet.
Er lag ook geen kind in de tuin of op het balkon.
Overigens woonde hij al een tijdje alleen of met zijn jongste zoon, de rest was hem zat en was verhuisd. Dus ook geen kleine kinderen in huis.
Drie huizen naast mij woonde een psychopaat. Op een dag kwam ik thuis en kon mijn huis niet in, de straat was afgezet en vol politie. De psychopaat gooide zijn huisraad naar buiten.
Ik fietste om en zette mijn fiets binnen en ging toch de ramptoerist uithangen, op mijn balkon.
Ik keek naar het tafereel en de overbuurman ook. Die wakkerde het nog aan: 'gooi er maar uit, gooien maar', riep hij, en begon te lachen. De psychopaat werd gekker en gooide steeds meer naar buiten. De auto's die er onder geparkeerd stonden overleefden het niet, patiotegels vlogen door de voorruiten.
Uiteindelijk heeft de ME hem horizontaal afgevoerd. Hij mocht er ook nooit meer wonen.
Ik heb nog een bekende buurman gehad, meneer Janmaat van de CP, hij woonde een paar huizen verder. Als we elkaar tegenkwamen zei hij altijd goede dag en hij was de enige die zijn hondje in de goot liet poepen.
Zijn ramen waren wel gebarricadeerd, ijzeren luiken.
Nu hij er niet meer is, is het huis opgeknapt en de luiken zijn verwijderd.
Het is nu stil in de straat, de overbuurman heb ik al een tijdje niet gezien, ik heb ooit aan zijn (klein)kind gevraagd waar hij is: 'weet ik niet', zei hij.
Maar het witte huis is nog steeds wit, maar zonder Spaanse tekst.
Er waren zelfs speciale dagen voor gesprekken en ze hadden plattegronden opgehangen enz. We mochten 3 woningen kiezen, 1e, 2e en 3e keus. Geweldig. Het werd uiteindelijk mijn 1e keuze.
Toen ik daar met al die mensen zat werden er allerlei vragen gesteld, oa over de 'familie Flodder'.
Er schijnt een lastige familie in de straat te wonen.
In juli 1992 kreeg ik de sleutel en ben 2 dagen later meteen gaan verhuizen.
En ik woonde recht tegenover de 'familie Flodder.
Tegenover mij woonde een grote familie in 2 huizen boven elkaar. Een Columbiaan met 4 vrouwen en 11 kinderen. Twee kinderen had hij zelfs bij zijn eigen dochter gemaakt.
Dat het huis opviel was geen ontkomen aan, het was wit geverfd met een Columbiaanse vlag erop en iets in het Spaans geschreven.
Buurman had de leeftijd van mijn ouders en zijn oudste kinderen, 1 meisje en 2 jongens, mijn leeftijd.
Het viel me vooral op dat er mooie en dure auto's in de straat stonden, een Rolls Royce, Bentley, oude Amerikanen enz. Allemaal van de overbuurman.
Buurman was nl heler en dealer.
En een slimme.
Buurman had nl de wet geleerd. Ze konden hem niet pakken.
Hij bezat de halve straat, hij verhuurde kamers. Het geld kwam dus wel binnen, waar het bleef was duidelijk.
Zijn leven bestond vooral uit bier en drank.
In de zomer nam hij zijn plekje in de schaduw: mijn voordeur. Het kabelkastje van de TV zijn tafel. Als die vol stond werd het op de grond gezet. En de volgende ochtend lag het er nog.
Op zich had ik geen last van de buurman. Als hij dronken was schreeuwde hij en de politie kwam wat vaker door de straat, eigenlijk dus nog gezellig ook.
Die lege flessen voor de deur vond ik minder. Zodoende dat ik besloot hem te vragen ze de volgende keer mee naar binnen te nemen. Dat pakte iets anders uit; hij werd boos. Schreeuwde wat vieze woorden, haalde zijn gereedschap uit zijn broek en zei: 'die zou je wel willen hebben hè?'
Ik keek ernaar en begon te lachen en zei: 'jee is dat alles?'
Nou, dat ging vlug weer terug achter de rits en hij ging terug op zijn stoel en dronk verder.
Kwam ook toevallig zijn oudste zoon erbij staan, bemoeide zich ermee, ik zei niks, liet hem uitrazen. Toen die klaar was zei ik nog niks maar hij zei: 'denk je dat ik gek ben?'
Toen zei ik nonchalant: 'ja'.
Verder niks en ik ging naar binnen.
Buurman kwam nooit binnen, hij wist dat hij dan last van de politie zou krijgen. Slaan ook niet, alleen schelden, maar ook alleen als ie dronken was, wat ie meestal was.
Meestal had hij ruzie met zijn jongste zoon. Die woonde nog thuis. En dronk net zoveel.
De oudste zoon had een vriendin, zij reed in de Rolls Royce en zij was mijn klasgenoot van de analistenschool.
Toen we nog op school zaten was ze het voorbeeld van tuttig, dik donker haar met een mega grote jaren 80 bril en ze was onhandig.
Dat was ze nu niet meer, lang geblondeerd haar, super slank en mooi gekleed, meer uitgaanskleding dan doordeweeksekleding en geen bril.
En die Rolls kon ze niet parkeren.
Die relatie duurde niet lang, op een dag zag ik haar met een andere, Nederlandse, jongen. Ik zei hoi en ging naar huis.
Tot er aangebeld werd. De vriend van mijn klasgenote. Ze had haar naam veranderd, wat ik niet wist en hij wist haar echte naam niet.
Het feest in de straat duurde voort, het was gezellig en totaal geen last van de familie 'Flodder'.
Op een dag, in de zomer, ik had mijn raam open en hoorde alles, hoorde ik toch wel erg veel autodeuren dichtslaan, zo achterelkaar. Ik stak mijn hoofd uit het raam en van voor tot achter in de straat politie, arrestatieteam enz. Ze gingen bij de buurman naar binnen. Ik wist dat hij zijn roes aan het uitslapen was maar de politie niet. Zaklampen zag ik door het huis gaan.
Vraag me toch of waarom ze niet gewoon het licht aan deden.
Daar vonden ze hem, slapend.
Er was niets aan de hand. Er was bij de politie een melding binnengekomen dat er een klein kind van het balkon is gegooid, wat nooit is bewezen, en buurman moest het hebben gedaan.
Bij de buurman was niets gebeurd en buurman doet zoiets ook niet.
Er lag ook geen kind in de tuin of op het balkon.
Overigens woonde hij al een tijdje alleen of met zijn jongste zoon, de rest was hem zat en was verhuisd. Dus ook geen kleine kinderen in huis.
Drie huizen naast mij woonde een psychopaat. Op een dag kwam ik thuis en kon mijn huis niet in, de straat was afgezet en vol politie. De psychopaat gooide zijn huisraad naar buiten.
Ik fietste om en zette mijn fiets binnen en ging toch de ramptoerist uithangen, op mijn balkon.
Ik keek naar het tafereel en de overbuurman ook. Die wakkerde het nog aan: 'gooi er maar uit, gooien maar', riep hij, en begon te lachen. De psychopaat werd gekker en gooide steeds meer naar buiten. De auto's die er onder geparkeerd stonden overleefden het niet, patiotegels vlogen door de voorruiten.
Uiteindelijk heeft de ME hem horizontaal afgevoerd. Hij mocht er ook nooit meer wonen.
Ik heb nog een bekende buurman gehad, meneer Janmaat van de CP, hij woonde een paar huizen verder. Als we elkaar tegenkwamen zei hij altijd goede dag en hij was de enige die zijn hondje in de goot liet poepen.
Zijn ramen waren wel gebarricadeerd, ijzeren luiken.
Nu hij er niet meer is, is het huis opgeknapt en de luiken zijn verwijderd.
Het is nu stil in de straat, de overbuurman heb ik al een tijdje niet gezien, ik heb ooit aan zijn (klein)kind gevraagd waar hij is: 'weet ik niet', zei hij.
Maar het witte huis is nog steeds wit, maar zonder Spaanse tekst.
Abonneren op:
Posts (Atom)